Login

biohistory (NL)

Geboren
in 1953 te Aalst, België

Opleiding
1969 - 1973 | (Sier)Kunstambachten aan de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten te Aalst
1973 - 1977 | Graveerkunsten aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Gent

Voorwoord
De Oost-Vlaming Paul De Ryck (°Aalst 1953) volgde een opleiding sierkunsten en kunstambachten aan de academie te Aalst (1969-73) en graveerkunsten aan de academie te Gent (1973-77). Later ging zijn belangstelling en toewijding volledig naar de schilderkunst.

De thematiek omvat zowel ‘gekristalliseerde’ dromen als nachtmerries. Dromen zoals wij ze kennen uit de REM-fase tijdens de slaap, maar ook dromen in de betekenis van euforie, idealen en beeld geworden visies. Oorspronkelijk maakte hij complexe, figuratieve composities. Langzamerhand werden de composities eenvoudiger en soberder van opbouw en abstracter van vorm waardoor ze aan expressie en kracht wonnen. Wat vroeger een detail was, is nu het hoofdthema van een schilderij. Nu en dan weert Paul De Ryck elke kleur, hetgeen resulteert in een grisailleachtig effect dat aan zijn vroegere graveerkunsten doet denken.

Lees wat Bedet Simon, kunsthistorica, vindt van het werk van De Ryck:

EEN GEHEIMZINNIGE EN EENZAME DICHTKUNST

Wat bezielt Paul De Ryck zulke vreemde wezens en
landschappen te schilderen ?
Is hij een moralist ? Een alchemist ? Een visionair ?
Een fantast ? Een mysticus ?
Of gewoon een reiziger, een nomade doorheen de tijd ?
Zijn oeuvre wringt met de dominante ontwikkeling
van de hedendaagse kunst.
Het volgt heel andere parameters.
Hij lijkt wel een tovenaar of geestenbezweerder,
met orakels en voorspellingen,
met hemelse en helse vergezichten,
en de onbewogen maar sublieme schoonheid van zijn figuren.

DE BODEMLOZE MELANCHOLIE

Paul De Ryck trekt zo zijn eigen spoor, een dwarsdoorsnede doorheen
de geschiedenis van de kunst.
Hij schept een anti-wereld in een stijl die gaat van de middeleeuwen tot de barok,
over de Italiaanse renaissance, minitieus ontgonnen en uitgepuurd als
de lagen van archeologische opgravingen.
Hij gebruikt hiervoor een schildertechniek, zo perfect en zuiver, zo detaillistisch,
de Vlaamse Primitieven en Renaissancisten waardig.

Paul De Ryck schildert een universum dat fungeert als drempel tussen de
fysieke en geestelijke wereld.
Het is een niemandsland waar alles kan gebeuren.
Een voorgevoel van onheil of ondergang, versterkt door de malaise van het fin de siècle,
noodzaakt de kunstenaar te zoeken naar antwoorden in een eigen verbeeldingskracht.
Zijn kunst is zowel zintuiglijk als imaginatief.
De kunstenaar beoogt een hereniging van de innerlijke realiteit met de realiteit van de
wereld en de natuur, of een hereniging van lichaam en ziel, van materie en geest.

Dit zijn en tegen-zijn brengt dingen tot uitdrukking die wrevel opwekken.
Paramnesie maakt angstig , en er is teveel angst in deze wereld.
De angst als overheersende factor weerhoudt de toeschouwer ervan conclusies
te trekken uit de kunst en ze op zijn eigen leven toe te passen. De wereld is een en al chaos. Altijd geweest.
De transcendente kunst kan de aardse banaliteit transformeren in
een ongedefinieerde bevrijdende spiritualiteit.
De fantastische vormgeving bij Paul De Ryck is een middel om de
werkelijkheid te verbreden en de beleving ervan te verdiepen.
De kunstenaar doet een beroep op de ethiek van de toeschouwer door hem voor
een noodzakelijke keuze te plaatsen.
Het fantastische vecht tegen de benepenheid van het bestaan en
de lichamelijke en geestelijke beperkingen.
Het scherpt de zintuigen en schept de nodige filosofische nuances.
De fantastische kunst is zowel anachronistisch als visionair.
Zij belicht en benadrukt de twee uitersten van het leven :

de hemel en de hel,
het verleden en de toekomst,
het goed en het kwaad,
het licht en de schaduw...
Daartussenin beweegt zich de werkelijkheid.
De kunstenaar vermaant ons en waarschuwt dat
het evenwichtvan de levensbalans uiterst delicaat is.
Maar de bron van alles is de oneindigheid.
Hij helpt de angst voor de onvolmaaktheid en
de eindigheid van het leven te overwinnen en het kwaad te doorgronden.
Hij uit zijn onbehagen maar kondigt tegelijkertijd een ommekeer aan.
De duistere en negatieve kanten van de mens ("het kwaad") zijn destructief
en dienen geïntegreerd te worden in de psyche
en dienstbaar gemaakt voor hogere doelen. Als ze "verhoogd" zijn slaan ze om in hun tegendeel.

De kunstenaar Paul Klee besefte ook dat het kwaad een niet te negeren noodzakelijkheid inhoud:
"Zelfs het kwaad moet geen zegevierende of onterende vijand zijn, maar een kracht, die in het geheel meewerkt." (W.Haftmann,Paul Klee,p.71) De illusionistische constructies van Paul De Ryck betoveren en fascineren. Hij brengt het pantheïsme weer tot leven. Zijn beelden lijken hallucinaties. Hij creëert een eigen wereld waarin eindeloze vormen van landschap, mens en dier, demon en fee, centaur, chimaera en anderen, zich visceraal en onontwarbaar dooreenstrengelen. Alles draagt een dubbele betekenis. De tijd staat stil. Het lot wordt totem en teken.

De vrouwfiguren zijn feeën van wanhoop. Anima, androgyn of bisexueel.
De ogen gesloten in stilte als bevroren communicatie.
Marmeren texturen, roze-rood.
Zwijgende roerloosheid.
Hun passiviteit verwijst naar actie.
Hun naaktheid heeft veel te verbergen.
Nerven zuigen levenssappen.
De chaos van de geest
ontvlucht zichzelf en de aarde.
Zij zoeken een opening in de naad van de tijd. Ontsnappen uit de tijd.
Als roerloze nomaden voorbij de grenzen.
Eschatologisch.
Reizigers van de nultijd.
Paradigma of paradox.

Gevoel en rede creëren een magnetisch veld tussen euforie en wanhoop, tussen dominantie en onderdanigheid. Hoe demonisch en satanisch zijn figuren soms ook lijken, zij verpersoonlijken tevens de poëzie en verhevenheid en verbinden het wonder en het sublieme vaak met humor. De fabeldieren zijn de bewustwording van het animale en menselijke aspect van de ziel. Het 'dier' is van zijn ware aard vervreemd. De geciviliseerde mens moet de animale driften in zichzelf beheersen en genezen en tot vriend maken. 'Mens' en 'dier' bevolken onmogelijke werelden. Zij existeren onbeweeglijk in een schemerzone waar de eeuwige strijd tussen licht en schaduw zijn eigen wetten stelt. De golvende lichtzee, komende uit een onzichtbare bron achter de einder, voedt het emotionele krachtveld en intensiveert de visuele dynamiek. En al broeit en gutst het onderhuids van leven, toch lijkt het een uitgestorven, stille, gestolde wereld, waarin geen plaats is voor de mens.

Heb ik dan toch alleen mezelf ?

Bedet Simon -kunsthistorica